Inhoudsopgave
Hoe stel je een vraag in het Duits?
Belangrijkste vraagwoorden
| Duits | Nederlands | de vraag |
|---|---|---|
| wer | wie | vraag aan een persoon |
| wohin | waarheen | vraag over de plaats van bestemming |
| wann | wanneer | vraag over de tijd |
| woher | waar vandaan | vraag over de oorsprong |
Wat zijn de Duitse Vraagwoorden?
Duitse vraagwoorden in een overzicht
- Was? -> wat? Vraagt naar een object of een voorwerp.
- Wann? -> wanneer? Vraagt naar de tijd (uur, datum, tijdstip,…).
- Wo? -> waar? Vraagt naar een plaats of locatie.
- Woher? -> van waar?
- Wohin? -> waarheen?
- Warum? -> waarom?
- Wer? -> wie?
- Wie? -> hoe?
Wie wat waar wanneer Duits?
hoe = wie. waar = wo. waarom = warum, weshalb. wanneer = wann.
Wie wer WEM Wen?
De meeste verwarring zit hem in het Duits bij het vragende voornaamwoord. ‘ zeggen als we het over een persoon hebben, verandert dit woord in het Duits qua spelling afhankelijk van de rol die het heeft in de zin: Als het vragend voornaamwoord het onderwerp is, dan gebruik je ‘Wer’. Wer kauft das? (Wie koopt dat?)
Wie in de 4e naamval Duits?
VRAGEND VOORNAAMWOORD
| 1e nv | wer | wie |
|---|---|---|
| 2e nv | wessen | van wie / wiens |
| 3e nv | wem | aan / voor wie |
| 4e nv | wen | wie |
Belangrijkste vraagwoorden
| Duits | Nederlands | de vraag |
|---|---|---|
| wohin | waarheen | vraag over de plaats van bestemming |
| wann | wanneer | vraag over de tijd |
| woher | waar vandaan | vraag over de oorsprong |
| warum | waarom | vraag over de reden |
Wie wat hoe waar wanneer Duits?
Wie 4e naamval Duits?
Wat is een vraag woord?
Een vraagwoord is een woord dat een open vraag inleidt. Het kan een vragend voornaamwoord zijn (bijvoorbeeld wie, wat, welke), een vragend bijwoord (bijvoorbeeld waar, wanneer, hoe), een vragend voornaamwoordelijk bijwoord (bijvoorbeeld waarmee, waarvan) of het vragende telwoord hoeveel.
Wie naamvallen Duits?
Naamvallen | vraagwoorden / vragende voornaamwoorden
| 1 | wer* | onderwerp/hij |
|---|---|---|
| 4 | wen | lijdend voorwerp/hem |
| 3 | wem | meewerkend voorwerp/aan |
| 2 | wessen | van wie (wiens) |