Wat is het verkleinwoord van centrum?

Wat is het verkleinwoord van centrum?

Voorbeelden: centrum (centra – centrums), museum (musea – museums), forum (fora – forums), laboratorium (laboratoria – laboratoriums), datum (data – datums), atheneum (athenea – atheneums), lyceum (lycea – lyceums), stadium (stadia – stadiums), aquarium (aquaria – aquariums).

Wat is de centrum?

Centrum is een aardrijkskundig begrip dat “middelpunt” of “kern” betekent. Het kan betrekking hebben op verschillende schaalniveaus. Centrum staat tegenover het begrip periferie.

IS Online een bijvoeglijk naamwoord?

Online is een bijvoeglijk naamwoord. In combinatie met een zelfstandig naamwoord schrijven we bijvoeglijke naamwoorden in de regel los: online woordenboek. Beide woorden krijgen dan een hoofdklemtoon. Online kan ook deel uitmaken van een samenstelling: onlinewoordenboek.

Waar komt het woord supermarkt vandaan?

In 1961 kreeg Nederland een nieuwe Vestigingswet Bedrijven, waarin de eisen tot gescheiden verkoop van vlees, groenten en brood werden geschrapt. Vanaf dat jaar gingen zelfbedieningskruideniers hun assortiment verbreden, en het nieuwe type winkel werd met de Amerikaanse naam “supermarkt” aangeduid.

Woordherkomst en -opbouw

enkelvoud meervoud
naamwoord centrum centra centrums
verkleinwoord centrumpje centrumpjes

Wat is het verkleinwoord van pagina?

Woordherkomst en -opbouw

enkelvoud meervoud
naamwoord pagina pagina’s
verkleinwoord paginaatje paginaatjes

Is het meervoud van Centrum centra of centrums?

Antwoord. Deze woorden hebben twee meervoudsvormen: centra en centrums, musea en museums. De meervouden centra en musea zijn het gebruikelijkst.

Wat is het verkleinwoord van cd?

Woordherkomst en -opbouw

enkelvoud meervoud
naamwoord cd cd’s
verkleinwoord cd’tje cd’tjes

Wat zijn de voorzetsels?

De voorzetsels. Hier volgen voorzetsels die een plaats aangeven: op, in, uit, bij, voor, achter, naast, onder, boven, beneden, tussen, aan, tot, om, langs, tegen, binnen, buiten. Er zijn voorbeelden te over: Jan zat naast de meester. Hij staat bij de schuur. De kat zat in zijn mand. Ik liep tussen de huizen door.

Waarom zijn fouten met voorzetsels onderdeel van een werkwoord?

Fouten met voorzetsels die onderdeel van een werkwoord zijn. Daar kun je wel vanuit gaan = fout. Waarom is ‘vanuit gaan’ fout? Als er twee voorzetsels naast elkaar in de zin staan, dan hoort het tweede voorzetsel meestal bij het werkwoord in de zin en dan mag je het niet vastplakken aan ‘er’ of een ander voorzetsel.

Wat is een voorzetselbijwoord?

Voorzetsel of bijwoord. Sommige woorden kunnen zowel voorzetsel als bijwoord zijn. Ze worden dan wel voorzetselbijwoorden genoemd. Ze kunnen verschillende functies hebben in de zin: ze kunnen deel uitmaken van een scheidbaar samengesteld werkwoord, deel zijn van het naamwoordelijk gezegde of een bijwoordelijke bepaling zijn.

Gerelateerde berichten