Waar vluchten de Marrons naartoe?
De Engelse benaming Maroon (van het woord marronage), het Haïtiaanse Mawon en het Spaanse cimarrón (‘wilde, vluchteling’, letterlijk ‘levend op bergtoppen’, van het Spaanse woord cima, ’top’) verwijzen eveneens naar weggelopen slaven in het Caraïbisch gebied, Midden-Amerika, Zuid-Amerika en Noord-Amerika.
Hoe wonen Surinamers?
Zij wonen vooral in het binnenland, in de districten: Wanica, Para, Marowijne en Sipaliwini en rond de hoofdstad. Te onderscheiden in: Bovenlandse inheemsen: onder andere de Trio, Akuriyo en Wayana in het zuiden, en de Warau in het westen. Benedenlandse inheemsen: de Arowakken en de Karaïben.
Waar leefde de marrons?
De marrons van Suriname zijn de afstammelingen van Afrikanen die door slavenhalers onder dwang naar Suriname zijn gebracht. Daar bevrijdden zij zichzelf uit de slavernij en vestigden ze zich in het Surinaamse oerwoud. De Surinaamse marroncultuur wordt weleens het best bewaarde stukje Afrika buiten Afrika genoemd.
Welke taal spreken marrons?
Het Saramakaans (Saamáka) is een creoolse taal die in Suriname wordt gesproken door de Saramakaners, een van de zes marronvolkeren (ook bekend als Boslandcreolen). De taal wordt door ongeveer 50.000 mensen gesproken, dicht bij de Saramaccarivier en de bovenloop van de Surinamerivier en door 2000 mensen in Frans-Guyana.
Waar wonen Surinamers?
De meeste inwoners wonen in het noorden van het land, in de districten Paramaribo, Wanica en Nickerie. Wereldwijd zijn er ongeveer een miljoen mensen van Surinaamse afkomst, waarvan ruim de helft in Suriname woont.
Marrons zijn gevluchte Afrikaanse slaven die in stamverband in de ontoegankelijke oerwouden of binnenlanden gingen leven en hun afstammelingen. Marrons, weggelopen slaven, leefden in het Caraïbisch gebied, Midden-Amerika, Zuid-Amerika en Noord-Amerika en op eilanden in de Indische Oceaan zoals Réunion.
Wat gebeurd er als je winti krijgt?
Een mannelijke en een vrouwelijke winti’s krijgen voor de geboorte van een baby de spirituele verantwoordelijkheid over het kind. Zij treden vanaf dat moment op als de bovennatuurlijke ouders (djodjo) van het kind, dat een deel van hun karaktereigenschappen meekrijgt.